Toegang tot stedelijke gebieden beperken, ook wel selectieve toegang genoemd: ging het lange tijd vooral over de vraag hoe dit technisch mogelijk kon worden gemaakt, inmiddels wordt het veel vaker ingezet als strategisch instrument. Marco van Burgsteden, projectmanager bij CROW: “Doorstroming is nog maar één van de factoren en lang niet altijd de belangrijkste.”
In samenwerking met partners uit het DMI-ecosysteem analyseerde Kennisplatform CROW 61 beleidsdocumenten van 15 gemeenten. Een bestaande publicatie over dit onderwerp sloot niet meer volledig aan op de praktijk waarin gemeenten nu keuzes moeten maken. Herziening ervan moet gemeenten dan ook helpen eerst hun maatschappelijke doelen, belangenafweging en onderbouwing scherp te krijgen, voordat zij maatregelen of technologie kiezen.
Maatschappelijke waarde
Uit de nieuwe analyse bleek dat selectieve toegang ook wordt gebruikt om leefbaarheid, veiligheid en duurzaamheid te verbeteren. : “Het gaat bovenal om maatschappelijke waarde”, aldus Van Burgsteden. Gemeenten werken volgens hem steeds vaker vanuit brede omgevingsvisies, waarin leefkwaliteit, veiligheid en duurzaamheid leidend zijn. “Vroeger ging het over: hoe krijg ik die auto zo snel mogelijk de stad in en uit? Nu kijk je breder: wat betekent verkeer voor de leefomgeving, voor gezondheid, voor sociale functies? Selectieve toegang krijgt daarmee een andere betekenis. Toegang wordt steeds vaker conditioneel: toegestaan als het bijdraagt aan maatschappelijke doelen, beperkt als dat niet zo is.”
Tegelijkertijd maakt digitalisering meer verfijnde vormen van toegangsregulering mogelijk. Denk aan digitale ontheffingen, kentekenherkenning, slimme toegangssystemen en data over drukte, uitstoot of logistieke stromen. Daardoor kan toegang bijvoorbeeld verschillen per doelgroep, tijdstip, voertuigtype, bestemming of bijdrage aan maatschappelijke doelen. Van Burgsteden: “Leefkwaliteit komt onder meer naar voren bij het streven naar autoluwe of autovrije gebieden, meer ruimte voor verblijven, ontmoeten en recreëren in de openbare ruimte en de CO2-uitstoot verminderen.”
Zes dominante beleidsdoelen
Uit de CROW-analyse komen zes dominante beleidsdoelen naar voren: leefbaarheid, veiligheid, duurzaamheid, sociale inclusie, doorstroming en economie. Leefbaarheid en veiligheid worden het vaakst als argument genoemd voor selectieve toegang. De doelen vertalen zich in richtingen, bijvoorbeeld het beschermen van kwetsbare woongebieden, het verbeteren van verkeersveiligheid voor fietsers en voetgangers, het organiseren van emissievrije stadslogistiek en het waarborgen van bereikbaarheid voor zorg en hulpdiensten.
Belangrijk daarbij is dat maatregelen vrijwel altijd meerdere doelen tegelijk dienen, maar ook spanningen veroorzaken. Denk aan de balans tussen autoluw beleid en de bereikbaarheid van ondernemers. Of de balans tussen strengere milieueisen en economische haalbaarheid. Van Burgsteden: “Je zit altijd tussen verschillende belangen die je tegen elkaar moet afwegen.”
Van voertuig – naar contextgericht
Een tweede belangrijke ontwikkeling is dat beleid verschuift van voertuiggericht naar contextgericht. Het gaat niet meer alleen om het type voertuig, maar om de rol die iemand vervult. “Een mantelzorger is iets anders dan een bezoeker, ook al rijden ze allebei in een auto”, duidt Van Burgsteden. “Daar moet je dus anders mee omgaan. Dat maakt het systeem veel fijnmaziger, maar ook complexer. Het wordt meer maatwerk. Gemeenten hebben op die manier te maken met meer uitzonderingen, hogere eisen aan ICT en governance en strengere regels rond privacy en gegevensgebruik.”
De grootste uitdaging ligt volgens het onderzoek in de vertaling van strategische doelen naar concrete maatregelen. Veel gemeenten hebben moeite de ambities door te vertalen naar tactische keuzes en operationele uitvoering. “Voordat je een leverancier belt voor het plaatsen van een paal of een camera, moet je eerst je verhaal op orde hebben. Waarom doe je dit, wiens belang raak je hiermee en hoe past het binnen je bredere doelen? Dat fundament ontbreekt nog te vaak.”
Samenwerking binnen DMI
De samenwerking binnen DMI speelde bij de analyse een belangrijke rol. Volgens Van Burgsteden brengt DMI partijen samen die normaal gesproken op verschillende niveaus opereren. Van beleidsontwikkeling tot technologie. “Het helpt enorm dat je binnen DMI die verschillende perspectieven bij elkaar krijgt. Daar ontstaan inzichten die je nodig hebt om dit soort complexe vraagstukken integraal aan te pakken.”
Daarnaast helpt DMI om innovaties op te schalen en kennis te delen tussen gemeenten. “Veel oplossingen ontstaan bij pioniers. De uitdaging is om die kennis te laten landen in de dagelijkse praktijk zodat andere gemeenten niet opnieuw het wiel hoeven uit te vinden.” De komende periode werkt CROW aan een vervolg van de analyse waarin de onderzoekers de stap naar een tactische en operationele uitwerking zetten. Uiteindelijk moet dat leiden tot een samenhangend handelingsperspectief voor gemeenten. “We willen van strategie tot uitvoering één lijn hebben. Zodat je op de juiste plek het juiste systeem kiest en dat iedereen begrijpt waarom.”