In veel steden wordt al jaren geëxperimenteerd met hubs voor stadslogistiek. Aan de rand van de stad, op bedrijventerreinen of dichter bij de wijk. Maar juist die laatste categorie, de microhub op buurt- of wijkniveau, roept nog veel vragen op. Waar past zo’n plek? Welke functies combineer je er? Wie pakt welke rol? Wie initieert en wie voert uit? En vooral: hoe voorkom je dat het bij een tijdelijk project blijft?
Die vragen staan centraal in het nieuwe onderzoek Microhubs voor stadslogistiek en circulariteit, onder leiding van Susanne Balm van de Hogeschool van Amsterdam. Voor het tweejarige project is door Regieorgaan SIA (Stichting Innovatie Alliantie) een RAAK-subsidie (Regionale Actie en Aandacht voor Kennisinnovatie) van 350.000 euro toegekend. Regieorgaan SIA bevordert de kwaliteit en de impact van praktijkgericht onderzoek door hogescholen.
Dat het voorstel op plek vier eindigde in de beoordelingsronde, ziet Balm als erkenning dat het consortium werkt aan een maatschappelijk relevant vraagstuk. Het project start formeel op 1 september 2026. De Hogeschool van Amsterdam werkt in het consortium samen met gemeenten, praktijkpartners en netwerkpartners, waaronder DMI.
Behoefte aan microhubs duidelijker
Volgens Balm is de behoefte aan microhubs de afgelopen jaren steeds duidelijker geworden. Steden groeien en verdichten, waardoor pakketbezorging, logistiek en de inzameling van circulaire stromen om meer slimme en efficiënte ruimtelijke oplossingen vragen. Tegelijkertijd is de stadsrand voor sommige vormen van vervoer, zoals licht elektrische voertuigen of bakfietsen, simpelweg te ver weg. Dan heb je logistieke faciliteiten nodig op buurt- of wijkniveau.
Een microhub kan verschillende functies hebben. Denk aan een plek waar goederen worden overgezet op licht elektrisch vervoer. Daar waar bewoners pakketten ophalen, waar circulaire stromen zoals textiel of elektronisch afval worden ingezameld of waar deel- en reparatiefuncties samenkomen. Echter, die veelheid aan mogelijkheden maakt het ook complex. “Er zijn best veel experimenten, maar het blijft vaak bij tijdelijke locaties en tijdelijke projectteams. Een duurzaam businessmodel voor de langere termijn is nog niet ontwikkeld”, aldus Balm.
Governance en ruimte
Het onderzoek kijkt daarom niet primair naar de techniek of naar één ideaal businessmodel, maar naar twee randvoorwaarden die mede bepalen of microhubs kans van slagen hebben: governance en ruimte. Governance gaat over rollen, eigenaarschap en samenwerking. Welke rol pakt een gemeente? Is zij regisseur, facilitator, partner of tijdelijk aanjager? En: in hoeverre verandert die rol in de loop van een project? Balm: “Gemeenten geven ook wel terug dat er nog geen duidelijk beeld is van waar de ontwikkeling naartoe gaat en welke rol ze in welke fase moeten pakken.”
De ruimtelijke kant is minstens zo belangrijk. Een microhub moet passen in een buurt, zonder onnodige weerstand op te roepen. Dat vraagt om keuzes over locatie, schaal, ontwerp en functies. Een hub in een parkeergarage stelt andere eisen dan een hub in een plint of op een kade. Ook maakt het verschil of een gemeente werkt in een bestaande wijk, waar ruimte schaars en duur is, of in een nieuwbouwgebied waar functies vanaf het begin kunnen worden ingetekend.
Concrete cases van Amsterdam, Utrecht en Den Haag
In het onderzoek worden drie concrete cases gevolgd, in Amsterdam, Utrecht en Den Haag. In Amsterdam gaat het om een watergebonden logistieke hub bij de Appeltjesmarkt, waar goederen via het water kunnen worden aangevoerd en met licht elektrisch vervoer verder de wijk in gaan. In Utrecht draait het om de Paardenveldgarage, een gemeentelijke parkeergarage die de komende jaren mogelijk deels andere functies krijgt.
Vanuit Den Haag wordt gekeken naar de uitvoering van het convenant Duurzame pakketlogistiek, waarbinnen publieke en private partijen samenwerken aan een open netwerk van pakketpunten en -kluizen. Daarbij gaat het om pakketvoorzieningen die niet exclusief aan één vervoerder of webshop zijn gekoppeld, maar door meerdere logistieke partijen gebruikt kunnen worden.
De verwachting is niet dat het onderzoek na twee jaar hét businessmodel voor microhubs oplevert. Daarvoor zijn de context, functies en belangen per initiatief te verschillend. Het doel is wel om gemeenten een praktisch handelingskader te geven. Balm: “Ik hoop dat we tot een soort checklist komen: aan deze voorwaarden moet het voldoen als je hier als gemeente met succes energie in wil steken.” Daarmee kan een gemeente beter bepalen wanneer een microhub kansrijk is, welke partijen nodig zijn en welke keuzes vroeg in het proces gemaakt moeten worden.
Met DMI koplopers aan tafel
Bij dit project helpt DMI om lessen breder te delen, andere initiatieven aan te laten haken en mee te denken over de vorm waarin de uiteindelijke handreiking bruikbaar wordt voor gemeenten. “Met DMI hebben we echt koplopers aan tafel”, zegt Balm. “En via het netwerk kunnen we zorgen dat de kennis breder landt.”
Balm tot slot: “Als we weten waar en hoe microhubs kansrijk kunnen zijn, moeten gemeenten weten hoe ze die kans kunnen verzilveren. We willen de weg ernaartoe zo goed mogelijk vormgeven.”
Meer informatie
Wil je op de hoogte worden gehouden van dit onderzoek? Susanne Balm verstuurt met regelmaat updates. Geef je hier op voor de mailinglijst.