Rotterdam groeit, verdicht en vernieuwt volop. Maar hoeveel vrachtwagens, betonmixers, bestelbusjes en ander bouwverkeer zijn daarbij? nodig? En wat betekent dat voor de bereikbaarheid, leefbaarheid en verkeersveiligheid van een stad? En: hoe houd je de stad intussen bereikbaar, leefbaar en ook nog verkeersveilig?
Binnen DMI werken partijen daarom aan scenarioanalyses voor bouwverkeer. Zo wordt in Rotterdam en Den Haag onderzocht hoe bouwverkeer zich door de stad beweegt, waar knelpunten kunnen ontstaan en welke maatregelen mogelijk zijn om overlast te beperken. Niet achteraf, als de straat al vol staat, maar van tevoren. Op basis van data, modellen en gesprekken met gemeenten en bouwende partijen.
Waar ontstaat druk op het netwerk?
“Het gaat erom dat je niet pas gaat nadenken over bouwverkeer als de hinder er al is”, zegt Jos Streng, adviseur goederenvervoer bij de gemeente Rotterdam. “We willen vooraf kunnen zien waar druk op het netwerk ontstaat en wat we kunnen doen om die druk te verminderen.”
Bouwprojecten in een stad liggen vaak dicht bij elkaar, precies op plekken waar de verkeersruimte toch al schaars is. Zo zijn er rond het Centraal Station van Rotterdam de komende jaren meerdere projecten. Naar verwachting komen hier de komende jaren zo’n 4.000 nieuwe woningen en 100.000 vierkante meter aan nieuwe kantoorruimte. Tegelijkertijd zijn er werkzaamheden aan de openbare ruimte, onder andere bij het nabijgelegen Hofplein. Streng: “Hierdoor zijn wegen tijdelijk gesloten en de realisatie van deze projecten brengt ook weer extra vrachtverkeer met zich mee. Als gemeente dragen we dan dus zelf bij aan de extra verkeersdruk. En daarom zijn we ook partner in de oplossing.”
Fijnmazig niveau
Kern van de analyse is dat bestaande verkeersmodellen worden verfijnd. Veel gemeenten beschikken al over verkeersmodellen, maar die zijn vooral gericht op personenverkeer en hoofdwegen. Voor inzicht in de impact van bouwverkeer, is inzicht belangrijk op een fijnmaziger niveau. Welke route nemen vrachtwagens en bestelbussen naar een bouwplaats, op welke momenten komen ze in beweging en wat gebeurt er als meerdere projecten tegelijk actief zijn?
Volgens Jim van Hoeckel, adviseur Verkeer en Mobiliteit bij Antea Group, begint de analyse met het bestaande verkeersmodel van de stad. Dat wordt aangevuld met meer detailinformatie over het wegennet, tellingen en gegevens over bouwprojecten. “We maken eerst een basisbeeld van het verkeer en voegen daar vervolgens het verwachte bouwverkeer aan toe. Dan zie je niet alleen hoeveel verkeer er is, maar ook waar het samenkomt en waar mogelijk problemen ontstaan.”
Niet alles achter de komma
Daarvoor is informatie nodig over projecten: wat wordt er gebouwd, in welke fase, met welke bouwmethode en in welke periode? Een funderingsfase vraagt bijvoorbeeld ander transport dan een afbouwfase. Prefabbouwen leidt tot andere logistieke bewegingen dan het betonstorten op locatie. En een hoogbouwproject in een druk centrumgebied heeft een andere impact dan een ontwikkeling aan de rand van de stad. Van Hoeckel: “Toch is het niet nodig om alles tot achter de komma te weten om al waardevolle inzichten te krijgen. Het model helpt vooral om verkeerspatronen zichtbaar te maken.”
Eerste analyse
In Rotterdam is de eerste analyse inmiddels gedaan. Daarbij is gekeken naar het Rotterdam Central District XL, het gebied rond Rotterdam Centraal. De uitkomsten zijn gedeeld met de bouwende partijen en dat leverde meteen een goed gesprek op. Bouwers zagen waar knelpunten konden ontstaan, herkenden ontbrekende informatie en werden uitgenodigd om extra data aan te leveren om een meer nauwkeurige voorspelling te kunnen doen in de volgende fase van de analyse.
“Met die eerste analyse gaat het onderwerp bouwlogistiek pas echt leven”, zegt Van Hoeckel dan ook. “Zodra partijen zien wat er uit het model komt, komen er concrete reacties: ‘Dit klopt, dit mist nog, dit heeft gevolgen voor mijn aanvoerroute.’ Het model is zo goed als de informatie die erin gaat. Daarom is die wisselwerking met de praktijk essentieel.”
Partijen eerder aan tafel krijgen
Volgens Arjen de Feijter, projectmanager Bouwlogistiek, zit daar een belangrijke les. De analyse is een manier om partijen eerder aan tafel te krijgen. “Of de voorspelling uiteindelijk exact uitkomt, is niet het allerbelangrijkste. De winst zit erin dat partijen op basis van een gedeelde werkelijkheid afspraken met elkaar maken.”
En die kunnen verschillende vormen krijgen. Soms gaat het om verkeerstechnische maatregelen, zoals aangepaste routes of verkeerslichten. Soms om logistieke oplossingen, zoals het spreiden van ritten, een bouwhub, transport over water of bundeling van aanvoer. Ook de bouwmethode zelf kan verschil maken. Streng: “We willen niet vooraf zeggen: dit moet de maatregel zijn. Het gaat erom dat de overlast of verkeersdruk tot een aanvaardbaar niveau wordt teruggebracht. Als partijen daar zelf slimme oplossingen voor vinden, des te beter.”
Methode testen, verbeteren en overdragen
Met de gebiedsontwikkeling Laakhavens loopt de gemeente Den Haag in hetzelfde traject mee. Daar worden de eerste modelresultaten gegenereerd. De Feijter: “Maar de bedoeling is nadrukkelijk breder. Rotterdam en Den Haag fungeren als pilots waarmee de methodi
Dat laatste is belangrijk, stelt hij. “Veel Nederlandse steden staan voor vergelijkbare opgaven. De analyse moet daarom ook inzichten opleveren voor andere gemeenten. Onderdeel daarvan is een uitwisselbaar format waarmee gegevens over bouwprojecten gestandaardiseerd worden aangeleverd. Ook kijken we naar hoe de aanpak via DMI breder beschikbaar kan komen.”
Meer first things first: de basis op orde. “Je kunt pas goede afspraken maken als je weet waarover je praat”, zegt De Feijter. “Visualisaties en cijfers helpen om van gevoel naar gedeelde feiten te komen.” Streng tot slot: “Als straks alle voertuigen zero-emissie zijn, hebben we wel een belangrijke stap gezet, maar dan zijn we nog niet per se klaar. We moeten dan nog steeds weten hoeveel verkeer de stad in komt, waar het naartoe gaat en wat dat betekent voor de bereikbaarheid. Daarvoor heb je het soort inzicht nodig dat we met deze aanpak beschikbaar kunnen maken.”