Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) kende onlangs een subsidie van 5,6 miljoen euro toe aan DMI. Deze stimulans is bedoeld om digitale toepassingen in de praktijk van gebiedsontwikkeling sneller toe te passen en op te schalen.
De woningbouwopgave is groot, urgent en tegelijkertijd complex. Gemeenten moeten rekening houden met een veelheid aan opgaven. Denk aan betaalbaarheid, duurzaamheid, netcongestie, stikstof, mobiliteit en leefbaarheid. Alles komt samen bij het bouwen en renoveren van woningen. En daar wringt het: de complexiteit neemt toe terwijl capaciteit, tijd en financiële middelen onder druk staan. Digitalisering is daarom een randvoorwaarde om overzicht te houden en te ondersteunen bij het versnellen van woningbouw en verduurzaming.
Sneller toepassen
Dit is wat ten grondslag ligt aan de subsidie die het ministerie toekende aan DMI. Het bedrag van 5,6 miljoen euro is bedoeld om digitale toepassingen in gebiedsontwikkeling te ontwikkelen en vooral sneller toe te passen om zo op te schalen in de praktijk. “Het gaat bij deze subsidie niet om het digitaliseren op zich, maar juist om het geven van een stimulans om processen te digitaliseren”, zegt Irene Niet, beleidsmedewerker bij de directie Bouwen en Energie van BZK. “Digitale ondersteuning is nodig omdat de omgeving waarin wij leven en werken complex is geworden. Zonder digitalisering kun je gewoon niet meer alles overzien. En kun je er vooral niet tijdig rekening mee houden. Dat brengt financiële risico’s en vertraging met zich mee. Als we die woningbouwopgave versneld willen realiseren, helpt dat al met al niet.”
Van plannen maken naar doen
Het Innovatie- en Opschalingsprogramma Woningbouw (IOP) ontstond naar aanleiding van de Woontop eind 2024. Afgesproken werd om nadrukkelijk in te zetten op het toepassen van innovatieve werkwijzen om woningbouw te versnellen. Al snel werd duidelijk dat de echte uitdaging zit bij de toepassing bij gemeenten. “We waren goed op weg met het maken van plannen”, zegt Niet. “Maar ondertussen werd de vraag steeds urgenter: hoe zorgen we dat deze plannen ook echt landen bij gemeenten, in de dagelijkse praktijk van gebiedsontwikkeling?”
Die vraag bracht BZK dichter bij DMI, dat als netwerkorganisatie contact heeft met de uitvoeringspraktijk van steden en regio’s. “DMI heeft al intensief contact met gemeenten en werkt al aan het digitaliseringsecosysteem”, aldus Niet. “Als je van markt en overheden vraagt om hiervoor intensiever samen te werken, data te delen en anders te gaan werken, moet je als Rijk zelf het goede voorbeeld geven. Vandaar dat we ervoor kiezen de krachten bundelen om zo de verandering maximaal te stimuleren.”
Gericht inspelen op vragen en behoeften
Volgens Arjan Spruijt, projectmanager datagedreven gebiedsontwikkeling bij DMI, zit de meerwaarde van de subsidie vooral in de combinatie van middelen en samenwerking. “Die subsidie helpt omdat je dan gerichter kunt inspelen op vragen, behoeften en knelpunten van specifieke gebieden en gemeenten. Niet door de eerste de beste tool aan te bieden, maar door te kijken: waar loop je als gemeente tegenaan en wat helpt je nu écht verder?”
Daarbij benadrukken zowel BZK als DMI dat het niet werkt om technologie ‘over de schutting te gooien’. “Je kunt honderd digitale snufjes ontwikkelen”, zegt Niet. “Maar als die niet aansluiten bij hoe gemeenten werken en wat zij nodig hebben, dan verandert er in de praktijk helemaal niets.” Een datagedreven aanpak vraagt echt om een andere manier van samenwerken. En dat is volgens Niet een cultuuromslag. “Gemeenten, Rijk en marktpartijen moeten elkaar daarin vinden, transparanter worden en echt samen leren. Deze subsidie helpt om die omslag concreet te maken.”
Leren van vergelijkbare opgaven
“Je ziet dat meerdere steden en gebieden vaak in dezelfde fase tegen dezelfde problemen aanlopen”, zegt Spruijt. “Door die gemeenten bewust aan elkaar te koppelen, kunnen ze samen optrekken en leren van elkaars ervaringen.” In de aanpak die met de subsidie wordt ondersteund, staan dan ook groepen van gemeenten centraal die met vergelijkbare vraagstukken zitten. Denk aan netcongestie, CO2-reductie, participatie of financiële haalbaarheid.
Een instrument bij die aanpak is de zogeheten versnellingsdialoog. Die start bewust niet met oplossingen, maar met vragen. “We beginnen met: waar sta je nu als gemeente, waar loop je tegenaan en wat denk je nodig te hebben?”, legt Niet uit. “Dat is iets anders dan een menukaart met tools neerleggen en zeggen ‘kies maar’.” Die benadering helpt ook om gemeenten met elkaar te verbinden. Spruijt: “Ik kan me voorstellen dat je als gemeente het liefst in de keuken van een andere, meer ervaren gemeente kijkt. Om zo te leren. Maar dan moeten de vraagstukken wel vergelijkbaar zijn. Anders praat je langs elkaar heen. Dat soort groepen creëren en hebben we binnen DMI.”
Digitalisering als gezamenlijke basis
De subsidie wordt ingezet om digitale instrumenten, standaarden en werkwijzen verder te ontwikkelen en toe te passen in concrete gebiedsontwikkelingen. Dat als onderdeel van de samenwerking die is vastgelegd in de Samenwerkingsagenda Toekomstbestendige Gebiedsontwikkeling. Deze verbindt Rijk, gemeenten, marktpartijen en kennisinstellingen. “De kern is dat we werken vanuit één gedeeld beeld en dezelfde informatiepositie”, zegt Spruijt. “Digitalisering helpt juist om alle relevante informatie – van energie en mobiliteit tot regelgeving en financiën – bij elkaar te brengen. Daardoor kun je betere afwegingen maken en sneller besluiten nemen.”
Uiteindelijk draait het om versnelling én kwaliteit van gebiedsontwikkeling en woningbouw. “De inzet moet bijdragen aan het sneller en beter bouwen van woningen”, aldus Spruijt. “Maar wel op een manier die toekomstbestendig is. Dat vraagt om samenwerken, om het toepassen van bewezen innovaties in de praktijk en om de inzet van digitalisering als ondersteunende kracht.” Niet vat samen: “We hebben digitalisering nodig als ondersteuning, maar we hebben vooral elkaar nodig als partners in de ontwikkeling. Alleen samen kunnen we deze versnellingsopgave aan.”
De subsidie wordt ingezet in steden die zich committeren aan toekomstbestendige gebiedsontwikkeling en daarbij – vanuit de basis van een gebiedsplan zoals afgesproken in de Samenwerkingsagenda – actief aan de slag gaan met innovaties. Om die inzet in goede banen te leiden, werken we met een interactief referentiekader dat aansluit op de beleidscyclus en de verschillende fasen van gebiedsontwikkeling. Daarmee kunnen concrete vraagstukken van gemeenten gerichter worden gekoppeld aan beschikbare innovaties, instrumenten en werkwijzen. Via de DMI-kanalen worden uitvragen en samenwerkingsmogelijkheden gedeeld, zodat partijen elkaar sneller weten te vinden en samen kunnen optrekken in de uitvoering.
Lopende projecten
- Gemeenten als Rotterdam, Helmond, Apeldoorn, Hilversum, Deventer en Den Haag, Geonovum en private partijen als Future Insight, OPENRED, Imagem en CollaborAll werken samen aan de verdere ontwikkeling van MiniGIM. Vanuit DMI begeleidt Leon van Berlo dit proces als product owner. Doel is om samen duidelijke afspraken te maken over de standaard (versie 1.0), zodat MiniGIM later goed toegepast kan worden.
- Op 28 mei aanstaande is er een bijeenkomst in het DMI Centre in Amersfoort die volledig in het teken staat van de voortgang rond MiniGIM. Klik HIER om je aan te melden.
- In Eindhoven loopt een samenwerking tussen de gemeente en de Technische Universiteit Eindhoven op het gebied van integrale digitale stadsplanning. De partijen passen daarbij wetenschappelijke inzichten direct toe in de stedelijke praktijk.
- De gemeente Deventer werkt samen met Tygron aan een digital twin en een analysetool om mogelijkheden voor CO2-reductie al in de ontwerpfase van gebiedsontwikkeling inzichtelijk te maken.
- DMI draagt bij aan de nieuwe AI-variant van de SPRONG-regeling om de toepassing en opschaling van AI bij publieke organisaties te versnellen. De SPRONG-regeling ondersteunt langjarige samenwerkingen tussen hogescholen en praktijkpartners om maatschappelijke innovaties structureel op te schalen. In de nieuwe AI-variant ligt de focus op het verantwoord invoeren en verbreden van bewezen AI-toepassingen binnen publieke organisaties, zoals gemeenten. Het doel is om voorbij losse pilots te komen en duurzame kennisnetwerken, governance en implementatiekracht op te bouwen rondom AI in het publieke domein.