Hoeveel mensen bezoeken het centrumgebied? Wat is het profiel van deze bezoekers? En hoe verhoudt een centrumgebied zich tot andere centrumgebieden? Het antwoord op deze vragen kan veel opleveren, maar data verzamelen, ontsluiten en beheren is voor veel gemeenten en organisaties een lastige klus, ziet Marleen Strien van DNWS. Bezoekersdata zijn vaak eigendom van marktpartijen, verschillend gemeten en lastig vergelijkbaar.

‘Het lukt veel gemeenten nog niet om datamonitoring structureel te organiseren’, aldus Strien, accountmanager bij DNWS. Bij deze stichting zijn meer dan honderd gemeenten aangesloten. Ze geeft voorbeelden: ‘In Roermond liep een traject vast op kosten en een gebrek aan continuïteit. In Nijmegen stopte een pilot toen het geld op was en in Nuenen bleef een jaar aan data liggen zonder vervolg.’

“Wie cijfers naast elkaar wil leggen, loopt al snel vast op verschillende definities, schaalniveaus en aannames.”

Anouk Mensen van adviesbureau AnalyZus ziet waar die reflex vandaan komt. Zij onderzoekt al 25 jaar hoe binnensteden functioneren en ziet dat digitalisering steeds meer data oplevert. Gemeenten en binnenstadsorganisaties proberen daar meer mee te doen, maar worstelen volgens haar juist met die overvloed.

‘Ze hebben allerlei data, maar gebruiken het niet. Of ze missen informatie en weten niet goed waar ze die vandaan moeten halen’, zegt Mensen. Ook ontbreekt vaak kennis over de meetmethoden en de kwaliteit. Dat beaamt Strien: ‘Ik zie geregeld dat gemeenten een digital twin of dashboard kopen en daarna pas bedenken wat zij eruit willen halen.’ Al zijn er ook goede voorbeelden, zeggen ze. Zoals die in Deventer.

Klein beginnen

Volgens haar komt succes eerder voort uit brede samenwerkingen die verder gaan dan een pilot. Woerden laat volgens Strien zien dat klein beginnen goed kan werken. Daar groeide de belangstelling, nadat ondernemers met een eenvoudige meting en één telpunt al iets concreets in handen kregen.

Ook het Belgische project DAKS 2.0 was volgens haar succesvol. Daar trokken zeven kleine West-Vlaamse steden samen op. ‘Ze hebben goede raamcontracten opgesteld met leveranciers. In die contracten werden niet alleen meetoplossingen ingekocht, maar ook afspraken vastgelegd over data-eigenaarschap, technische leesbaarheid, toegankelijkheid via dashboards en het voorkomen van nieuwe datasilo’s.’

Zulke voorbeelden laten volgens Strien zien dat samenwerking helpt. Voor landelijke vergelijkingen is echter meer nodig. ‘Er is enorm veel data van talloze aanbieders in Nederland. De ene partij werkt met gps-data, de andere met sensoren, camera’s of mobiliteitsdata. Wie cijfers naast elkaar wil leggen, loopt al snel vast op verschillende definities, schaalniveaus en aannames.’

Vergelijkbaar maken

Volgens Strien moet de data kunnen worden vergeleken, om stadscentra beter te monitoren. ‘Er is een onafhankelijke partij nodig die helpt met benchmarking en het vergelijkbaar maken van data van verschillende aanbieders. Niet zodat iedere stad hetzelfde moet doen, maar zodat gemeenten en hun partners beter begrijpen wat ze meten en hoe ze uitkomsten moeten duiden.’

Ze wijst als voorbeeld van zo’n onafhankelijke partij naar het -ecosysteem, een landelijk netwerk waarin marktpartijen, overheden en kennisinstellingen hun kennis en vragen bundelen en samen zoeken naar oplossingen voor stedelijke vraagstukken. Ze werken nauw samen om onder meer ruimtelijke data te standaardiseren.

“We moeten zorgen dat er een standaard komt die iedereen begrijpt.”

Ook PFM Intelligence Group, DMI-deelnemer én kennispartner bij DNWS, ziet een groeiende behoefte aan standaardisatie, vertelt Wendy Hulshof, head of data & insights. Het databedrijf meet al veertig jaar bezoekers in winkels, openbare ruimte en gebouwen. ‘Dat doen we vooral met sensoren, soms verrijkt met appdata.’

Volgens Hulshof groeit de vraag naar vergelijkbare bezoekersdata vanuit onder meer gemeenten, BIZ’en, vastgoedpartijen en retail. Ze willen hun eigen stappen monitoren, maar ook kunnen vergelijken. ‘Juist kleinere steden, met minder meetpunten, willen weten hoe zij het doen ten opzichte van andere steden.’

Landelijke bezoekersindex

PFM werkte al eerder met andere datapartijen aan een landelijke bezoekersindex, bedoeld voor institutionele vastgoedbeleggers. ‘Maar voor centrumgebieden staat zo’n gezamenlijke aanpak nog aan het begin. We kijken samen met DNWS, Mensen en andere marktpartijen hoe we tot standaardisatie kunnen komen.’

Dat vraagt volgens Hulshof om praktische afspraken over het opslaan, valideren en aanleveren van data. PFM en concullega’s hoeven niet dezelfde techniek te gebruiken, maar moeten uitkomsten wel vergelijkbaar maken. Dat kan met correctiefactoren voor sensor-, app- of parkeerdata. ‘We moeten zorgen dat er een standaard komt die iedereen begrijpt.’

De vraag leeft volgens Hulshof ook bij de overheden en andere marktpartijen die actief zijn binnen het DMI-ecosysteem, waar ze samenwerken aan marktplaatsen om data, inzichten en diensten makkelijker uit te wisselen. ‘We hebben met elkaar een verantwoordelijkheid om beleidsmakers te helpen met de juiste inzichten’, aldus Hulshof.

Doelen bepalen

Die route is in elk geval niet direct een systeem kopen of een leverancier benaderen, benadrukt Mensen. ‘Zorg voor een planmatige aanpak: bepaal vanuit de doelen voor je binnenstad welke data je nodig hebt en welke methodes daarbij passen. Doe dat bij voorkeur samen met de binnenstadspartners. Zo wordt monitoring efficiënter en doeltreffender.’ 

Volgens Mensen, die ook werkt aan de City Deal Dynamische Binnensteden, is het zaak dat steden daarna scherp kiezen wat ze willen meten. ‘Wil je weten hoeveel mensen op een bepaalde locatie langskomen, of wil je juist een globaal beeld van hoe zij zich door de stad bewegen, zodat je ook kruisbezoek tussen deelgebieden kan meten? Daarop kun je gericht zoeken naar databronnen.’

Strien is inmiddels in gesprek met DMI over samenwerking. Ook wil zij leren van de ervaringen binnen het netwerk, dat is opgezet door de landelijke overheid in samenwerking met gemeenten en marktpartijen. ‘Ik zou heel blij zijn als we over een paar jaar de data voor monitoring van centrumgebieden hebben gestandaardiseerd en gemeenten weten hoe ze die kunnen benutten.’