Bossenbroek (Yuma): “Omdat we data hebben, gaan we zaken anders organiseren”

Tijdens het Geospatial World Forum, een congres over geo-informatie en geospatiale technologie, ging het veel over data en digitale samenwerking. Volgens Hans Bossenbroek, bestuursvoorzitter van Yuma, dienstverlener op het gebied van platformtechnologieën, verschuift de discussie inmiddels naar de volgende fase: niet alleen data delen, maar vooral data daadwerkelijk gebruiken. Binnen DMI ziet hij daarin een belangrijke rol voor federatieve dataspaces, AI en de verdere ontwikkeling van de PDX, de Producten en Data eXchange.


“We zitten in Europa midden in een fundamentele verandering in de manier waarop organisaties omgaan met data”, vertelt Bossenbroek. “Waar we jarenlang vooral ingezet hebben op het verzamelen en centraliseren van informatie, richten we onze pijlen nu steeds meer op omgevingen waarin organisaties data veilig kunnen delen. De zogenaamde ‘federatieve dataspaces’. In 2020 kwam Angela Merkel, voormalig bondskanselier van Duitsland, met de Europese datastrategie. Zij heeft toen eigenlijk gezegd: als wij iets willen betekenen op het wereldtoneel, dan moeten we anders naar data gaan kijken.”

De Europese aanpak á la Merkel
Volgens Bossenbroek draait die Europese aanpak niet alleen om technologie, maar vooral om eigenaarschap en samenwerking. “We moeten silo’s van applicaties en data afbreken, zonder alles te willen centraliseren.” Daar zit ook meteen het grote verschil met veel traditionele systemen. Overheden en organisaties proberen data vaak eerst allemaal op een centrale plek samen te brengen. “Dan stoppen we alles bij elkaar en denken we heel snel te kunnen bepalen wie wat doet. Maar daar kunnen ook verkeerde conclusies uit voortkomen.” In plaats daarvan pleit hij voor een federatieve aanpak, waarbij organisaties data met elkaar delen, maar wel zelf eigenaar blijven van hun eigen gegevens. “We moeten juist over organisaties heen die data delen.”

Binnen DMI ziet Bossenbroek dat die eerste stap, het veilig en federatief organiseren van data, steeds beter werkt. “We hebben daar binnen DMI de afgelopen twee jaar aan gewerkt. En nu komt pas de echte uitdaging. Als alle data op de juiste plek staat, deze data goed is beschreven, we het vertrouwen erin hebben en de beveiliging is georganiseerd, ligt er een volgende vraag op tafel. Want wanneer ga je de data dan gebruiken?”

En dat is precies waar DMI echt waardevol wordt, vindt hij. “Niet alleen als technische infrastructuur, maar als praktijkvoorbeeld van hoe federatief samenwerken eruitziet. En natuurlijk zijn we daarbij kritisch op elkaar, maar we doen het wel met elkaar. Dataspaces groeien overal in Europa. En DMI laat zien dat het in de praktijk ook echt kan werken.”

Waarom organisaties vastlopen
“Mensen zijn databewustloos”, zegt Bossenbroek over de grootste blokkade in de praktijk. “Er gebeurt een heleboel en dat begint eigenlijk bij data. Maar toch staan we er eigenlijk niet bij stil. Veel organisaties werken nog steeds lineair. ‘Ik stuur jou een pdf’je, dan lees jij een pdf’je, dan stuur jij een pdf’je naar een collega en dan krijg ik het pdf’je terug met vijf commentaren erbij en drie Word-documenten.’ Dergelijke processen passen niet meer in een wereld waarin data continu beschikbaar is.”

Als voorbeeld noemt hij het assetmanagement bij gemeenten: een complexe uitdaging waarbij bijvoorbeeld het onderhoud van wegen, riolering, elektriciteit en waterleidingen bekende bouwblokken zijn. “Alles hangt met elkaar samen. Iedereen stuurt elkaar documenten en wacht tot iedereen alle documenten heeft voordat een besluit kan worden genomen. En daar zit precies het probleem: de data is er al, maar onze processen zijn er helemaal niet op ingesteld om ook echt iets met die data te kunnen doen.” Ook de manier waarop organisaties hun IT organiseren werkt volgens hem vaak tegen. “Organisaties hebben een IT-baas. Die vindt dat hij de baas moet zijn van alle data. Maar die data is helemaal niet van IT. Die data zit bij klanten, bij afdelingen en dus bij de bron.”

Volgens hem begint de oplossing daarom niet bij technologie, maar bij een andere manier van werken. “Data is alleen maar het middel. Data is geen doel op zich.” Hij pleit ervoor dat organisaties eerst beter begrijpen welk probleem ze eigenlijk willen oplossen. “Laten we niet meteen een oplossing zoeken, maar eerst begrijpen wat het probleem is. Waar zit precies de vraag?” Daarom ziet hij federatief werken uiteindelijk ook als een organisatievraagstuk. “De werkelijkheid is federatief, niet meer centraal.”

De tweede wave en de rol van AI
Tijdens het Geospatial World Forum vertelde Bossenbroek al over de ‘tweede wave’ waar we als Europa middenin zitten. De eerste fase draaide om het organiseren van data. Deze tweede stap draait om het gebruiken ervan. Met behulp van AI.  “Daar wordt AI interessant. Heel veel mensen kennen ChatGPT of Copilot als AI. Terwijl dat eigenlijk gewoon hele grote language models zijn waarbij mensen proberen ze van alles te laten doen.”

Volgens hem moet Europa juist een andere kant op bewegen. “Wij moeten AI niet zien als één groot centraal systeem, maar als allemaal kleine, specifieke stukjes intelligentie.” Hij vergelijkt het met de films van Star Wars. “In deze films heb je allemaal robotjes. De bekendste zijn de gouden robotman en het kleine witte robotje. Dat zijn allemaal voorbeelden van agentic AI: hele taakgerichte vormen van AI. De gouden man is een vertaalrobot en kan een miljoen talen spreken. Maar een heleboel andere dingen kan hij niet. Zo moeten wij er ook tegenaan kijken: allemaal kleine robotjes die allemaal geschikt zijn voor een specifieke taak.”

Verplaats niet de data maar de AI
Daarbij speelt volgens hem ook het principe van data gravity een belangrijk rol. “De zwaarste onderdelen van IT zijn niet de software of de computers, maar bestaan uit data. Organisaties zijn nog te veel gewend om data heen en weer te sturen. Vanuit datazwaartekracht gesproken, is dat eigenlijk de verkeerde beweging.” In plaats daarvan moet AI juist naar de data toegebracht worden. “Als ik een AI-model naar verkeersdata stuur, hoef ik veel minder data te verplaatsen. Dan kan ik gewoon aan die data vragen: wat is het gemiddelde gewicht van de auto’s die de afgelopen 24 uur zijn langsgekomen?”

Volgens Bossenbroek ligt daar ook een belangrijke rol voor de PDX van DMI. Niet als centraal platform, maar juist als federatief systeem waarmee organisaties veilig kunnen samenwerken. “Organisaties gaan pas data delen als ze het gevoel hebben dat het veilig kan.” De PDX draait daarom niet (alleen) om techniek, maar vooral om het organiseren van vertrouwen binnen een netwerk. “We gaan niet meer lineair werken. We gaan processen optimaliseren omdat er data is. De discussie verschuift daarmee van alleen datadelen naar autonome samenwerking. Dus als professional heb je straks een netwerkje van slimme stukjes intelligentie om je heen.”

Europa, cultuur en de volgende stap
De discussie gaat uiteindelijk dus veel verder dan technologie alleen. “Eigenlijk gaat het helemaal niet over technologie. Maar over hoe organisaties samenwerken.” Daarbij ziet Bossenbroek een duidelijke Europese koers ontstaan. “Wij gaan naar een sociaal datagedreven Europese markt. Daarbij is waardecreatie voor iedereen toegankelijk.” Dataspaces zijn daarom niet alleen een technische ontwikkeling, maar ook een maatschappelijke keuze. Transparantie, eigenaarschap en samenwerking staan daarbij centraal. “Als jij jouw data geeft aan een Amerikaanse AI, dan wordt die Amerikaanse AI slimmer. Niet Europa.”

Hij merkt dat veel organisaties nog worstelen met die verandering. “Voor veel mensen is dit bedreigend. Hun koninkrijkje gaat eraan. Bewustwording is daarom de eerste stap. Mensen zijn nu nog vaak onbewust onbekwaam. Dus eerst moeten ze zich bewust worden van wat er eigenlijk gebeurt. Samenwerken vraagt uiteindelijk ook om meer vertrouwen en transparantie tussen organisaties. Het internet maakt van de wereld een groot dorp. Dus moeten we ook opnieuw nadenken over hoe we elkaar vertrouwen met data.”

Samen leren veranderen
Volgens Bossenbroek laat DMI inmiddels zien dat federatief samenwerken niet langer alleen theorie is. “Je kunt daar zien dat een andere manier van organiseren gewoon werkt.” Organisaties moeten daarom stoppen met wachten tot alles perfect geregeld is. “Het heeft geen zin om te wachten tot die eerste wave helemaal klaar is, want de tweede wave klopt al aan de deur.” Het is volgens Bossenbroek misschien wel de belangrijkste boodschap van dit moment: blijf niet hangen in centrale systemen en lineaire processen. “Leer samenwerken in een werkelijkheid die federatiever wordt. We mogen in Europa best trots(er) zijn op wat we hier aan het bouwen zijn.”

Verwante artikelen

Laat een reactie achter

Scroll naar boven
Ga naar de inhoud