UvA-studenten helpen DMI-gemeenten met digitaliseren

Zes groepen van vier masterstudenten van de Universiteit van Amsterdam (UvA) werkten eind vorig jaar een aantal weken aan vraagstukken van gemeenten die deelnemer zijn van DMI. Dat gebeurde in het kader van het vak Requirements Engineering in de masteropleiding Software Engineering. Het doel: gemeenten helpen hun digitale ambities concreet te maken.

Dr. Thomas van Binsbergen, universitair docent bij het Instituut voor Informatica van de UvA, begeleidde de projecten. Zijn onderzoeksgroep richt zich op multidomeinsystemen: software die over domeinen heen draait. “Bij data-uitwisseling tussen organisaties geef je toch een stukje controle uit handen”, legt Van Binsbergen uit. “Wij onderzoeken hoe je identificatie, authenticatie en autorisatie goed kunt organiseren. Dat is cruciaal voor vertrouwen in digitale infrastructuur.”

In de praktijk brengen

Die kennis wil de UvA niet alleen theoretisch ontwikkelen, maar vooral ook toepassen. “We hebben eerder gewerkt aan de architectuur van de Amsterdam Data Exchange voor data-uitwisseling. Dat is een neutrale, niet-commerciële infrastructuur waarmee organisaties veilig en gecontroleerd data kunnen delen onder voorwaarden die de eigenaar van de data bepaalt.” Bij die exchange zijn de DMI-deelnemers UvA, SURF, AMS-IX en Dexes betrokken. Niet voor niets zijn deze partijen ook vanaf het begin betrokken bij de ontwikkeling van de Producten en Data Exchange (PDX) van DMI. “Vanuit die ervaring ontstond het idee om studenten via DMI ook te betrekken bij de praktijk van gemeenten. Zo leren zij van echte praktijkcases en helpen wij gemeenten hun vraagstukken scherper te formuleren.”

Zes groepen bij zes gemeenten

Voor het vak Requirements Engineering gingen zes groepen van vier studenten zeven weken aan de slag. Elke groep kreeg een digitaliseringscasus van een gemeente. Zo ging een van de groepen aan de slag met Technolution en de gemeenten van het DRO-consortium. De opdracht: verken het probleem, praat met stakeholders en werk de requirements voor digitalisering zo veel mogelijk uit. “Het is een vak dat anders is dan studenten gewend zijn”, zegt Van Binsbergen. “Ze moeten niet alleen technisch denken en programmeren, maar ook communiceren, belangen afwegen en soms een opdrachtgever adviseren om van denkrichting te veranderen.”

Case Helmond: bouwen zonder overlast

Sven Roozendaal, een van de studenten, werkte met zijn groep voor de gemeente Helmond. “Helmond wil tot 2040 zo’n tienduizend woningen bouwen, zonder de stad uit te breiden”, vertelt hij. “De vraag was: hoe beperken we overlast voor bewoners tijdens die bouw?” Een digital twin leek een mogelijke oplossing: een virtuele kopie van de stad waarmee effecten van bouwprojecten kunnen worden voorspeld. “Helmond had al een digital twin, maar die kijkt vooral naar de situatie ná de bouw. Wij onderzochten of je ook het bouwproces kunt modelleren.”

Overlast is lastig te definiëren

Dat bleek complexer dan gedacht. “Je hebt veel data nodig en overlast is lastig te definiëren”, zegt Roozendaal. “Wat de één storend vindt, ervaart de ander nauwelijks als zodanig.” Uiteindelijk concludeerde het team dat een voorspellende digital twin niet per se de oplossing is. Hun advies: focus op communicatie. “Informeer bewoners tijdig over werkzaamheden, bijvoorbeeld via een platform of mailsysteem. Deel globale planningen van aannemers, zodat mensen kunnen anticiperen. Dat vermindert de impact.”

Waardevolle inzichten

Begeleider Wiebe Quekel van de gemeente Helmond noemt de inzichten van de studenten waardevol. “De studenten hebben ons duidelijk gemaakt dat een digital twin op dit moment niet de juiste tool is om onze inwoners te helpen”, zegt hij. “Tegelijkertijd hebben ze heel concreet aangegeven hoe we deze technologie in de toekomst wél kunnen benutten.” Een digital twin was in dit geval minder geschikt voor het informeren bewoners, maar desondanks oriënteert de gemeente zich op wat het met digital twins wel kan. Quekel: “Voor Helmond ligt de nadruk daarom niet zozeer op het informeren van inwoners over wat er nú gebeurt, maar op het verkennen van de kansen die digital twins in de toekomst kunnen bieden om onze stad slimmer en duurzamer in te richten, en beter verbonden te maken.”

Meerwaarde voor gemeenten én studenten

Volgens Van Binsbergen is dit precies wat DMI beoogt: samenwerking stimuleren en kennis delen. “Studenten brengen een frisse blik. En soms blijkt een bestaande oplossing van een andere gemeente of een andere DMI-deelnemer al geschikt, zoals bij Breda. Daar was behoefte aan inzicht in ondergrondse kabels en leidingen. Door ervaringen uit andere gemeenten op dit gebied te delen, voorkwamen we dat het wiel opnieuw moest worden uitgevonden en kon Breda daarmee zijn voordeel doen.”

Voor studenten is het leerzaam én uitdagend. “In het begin was het lastig”, erkent Roozendaal. “We kregen veel informatie en moesten zelf richting geven. Maar ik heb veel geleerd, vooral over communicatie en het achterhalen van de echte behoeften.” Het project leverde Helmond nieuwe inzichten op. Roozendaal: “Ze wilden hun oplossing valideren en kijken of er ook alternatieven waren. Daar hebben wij ze mee geholpen. Dat is winst.”

Andere praktijkcases

Naast Helmond en Breda werkten studenten ook aan vraagstukken in de gemeenten Den Haag, Muiden en Zwolle.

In Muiden bijvoorbeeld ging het om het verminderen van de verkeersdruk op de A1 richting Amsterdam. Studenten onderzochten hoe de park and ride-locatie beter benut kon worden en ontwikkelden een model om beleidsbeslissingen, bijvoorbeeld over parkeertarieven en busfrequenties, beter te onderbouwen. Met het model is het onder meer mogelijk simulaties uit te voeren. Wat is de impact van parkeertarieven of het aantal busbewegingen op het vervoersgedrag van forenzen. Neemt men bij bepaalde waardes vaker of minder vaak de auto over de A1? Hoe laag of hoog zouden parkeertarieven of busfrequenties moeten zijn om verkeersdrukte onder een bepaald niveau te krijgen?

In Zwolle en andere steden lag de focus op het digitaal koppelen van domeinen, zoals stedelijke planning en sociale vraagstukken. De verschillende departementen en teams hebben gegevens en methoden waar andere departementen van kunnen profiteren. Maar er zijn nu nog geen digitale middelen om deze informatie uit te wisselen.

De samenwerking met de gemeenten en DMI smaakt naar meer. “We willen dit volgend jaar herhalen”, concludeert Van Binsbergen dan ook. “Daarnaast ontstaan via DMI ook afstudeerprojecten en stages. Zo bouwen we aan een structurele koppeling tussen onderzoek, onderwijs en praktijk. Voor gemeenten betekent dat directe toegang tot kennis en talent. Voor studenten een kans om impact te maken op maatschappelijke vraagstukken. Daarnaast is het als onderzoeker belangrijk je te laten informeren over de uitdagingen in de praktijk. Uiteindelijk moet alle kennis daar niet alleen landen, maar vooral effect sorteren.”

Verwante artikelen

Laat een reactie achter

Scroll naar boven
Ga naar de inhoud