Zeven gemeenten die binnen het DMI‑ecosysteem samenwerken – Amersfoort, Almere, Apeldoorn, Dordrecht, Heerlen, Helmond en Zwolle – hebben vergelijkbare opgaven: een grote woningbouwopgave, een toenemende druk op mobiliteit en de openbare ruimte, klimaatverandering en een energiesysteem dat piept en kraakt. Ze werken al langere tijd intensief samen aan een nieuwe aanpak voor deze vraagstukken.
“Extra woningen betekenen niet alleen meer inwoners, maar ook meer behoefte aan parkeerplaatsen, groen en energie”, zegt programmamanager Chris van Wegen. “Terwijl onze steden eigenlijk al vol zijn. Kortom, we hebben enorme ambities, maar de vraag is steeds: hoe maken we oplossingen haalbaar en schaalbaar? De realiteit is dat we in alle steden ongeveer dezelfde vragen tegenkomen. Denk aan de noodzaak van het verdichten van de binnenstad, een mobiliteitstransitie, de wens om duurzaam te bouwen en te vergroenen. Misschien verschillen de prioriteiten en details per gemeente, maar de vraagstukken zijn grotendeels gelijk. Juist daarin schuilt de kracht van het bundelen.”
Coalities over concrete praktijkvragen
Van Wegen schreef een nieuw programmaplan voor de zeven gemeenten. Daarbij draait alles om gerichte samenwerking. “We vormen coalities rondom concrete praktijkvragen. Om een voorbeeld te geven: Als drie of vier gemeenten binnenstedelijke verdichting willen versnellen, werken ze samen met marktpartijen en kennisinstellingen aan onderzoeksvragen en aan schaalbare bouwstenen voor een datagedreven aanpak. Bijvoorbeeld voor het plannen van een mobiliteitshub of het stimuleren van deelmobiliteit. Dat soort samenwerkingen willen we aanscherpen.”
Volgens Van Wegen zit de belangrijkste verandering in de verschuiving van aanbod naar vraag. “Soms gaan we te veel uit van het beschikbare aanbod. Dat komt ook door ieders enthousiasme over wat er al kan en wat deelnemende bedrijven bij DMI al kunnen bieden aan mogelijke oplossingen. En soms past zo’n oplossing ook al heel goed en kun je snel door. Maar het kan ook zo zijn dat de oplossing nog onvoldoende aansluit op de dagelijkse praktijk van een gemeente. Dan is er behoefte aan aanscherping.”
Waar liggen beleidsmedewerkers wakker van?
“We halen heel precies op waar beleidsmedewerkers wakker van liggen”, vervolgt Van Wegen. “Bij hen ontstaat betrokkenheid en commitment. Als vraag en urgentie helder zijn, ontstaat er vanzelf snelheid. Ook als het gaat om actie aan de kant van gemeenten.” Die omslag is noodzakelijk omdat veel gemeenten nog worstelen met de implementatie van digitale oplossingen. Beleidsmedewerkers zien een oplossing, maar slagen er niet altijd in deze echt te laten landen in de bredere organisatie. Of een ICT‑afdeling zit vol met andere werkzaamheden, waardoor implementatie en gebruik stokt.”
Van Wegen vervolgt: “Gemeenten implementeren soms liever oplossingen voor zichzelf. Omdat dat op het oog sneller lijkt te gaan en in maatwerk lijkt te voorzien. Maar daardoor komen schaalbare oplossingen vanuit het DMI-ecosysteem niet verder. En daarbij kost het onnodig veel tijd en geld, zowel van gemeenten als ook van de markt. De PDX kan daar verandering in brengen. Daarmee willen we er juist voor zorgen dat een medewerker van de ene gemeente straks eenvoudig een oplossing, zoals een verkeersmodel, van een andere gemeente als een dienst kan afnemen. En dat zonder zelf weer een aanbestedingstraject van twee jaar in te gaan.”
Voor beleidsmedewerkers maakt dat een wereld van verschil. Zij worden niet langer gevraagd om een complex project uit te rollen, maar kunnen een dienst gebruiken die al getest, gestandaardiseerd en beschikbaar is. “Een enorme ontlasting van de interne organisatie”, zegt Van Wegen. “Als we het goed doen, kunnen gemeenten veel sneller werken aan hun grote opgaven.”
Bundelen van vraagstukken tot usecases
Een belangrijk onderdeel van het programmaplan is het bundelen van vergelijkbare vraagstukken tot usecases om ze vervolgens door coalities van gemeenten op te pakken. “Als een gemeente iets belangrijk vindt, komt daarvoor menskracht en budget vrij. Vaak spelen soortgelijke behoeften bij andere gemeenten en door die slim te koppelen, kun je elkaar versterken.”
Als voorbeeld noemt Van Wegen het onderwerp parkeren en mobiliteit. “Ik rijd naar het NS-station in Apeldoorn en zie pas daar dat de P+R vol is. Dat wil je vanuit huis al kunnen zien. En je wilt dan ook het liefst weten hoe de situatie op jouw verwachte aankomsttijd is. Daar werken we nu aan: inzicht in bezettingsgraden en voorspellingen op basis van historische data. Deze behoefte is natuurlijk allesbehalve uniek voor Apeldoorn. Ook andere gemeenten zijn daarmee geholpen. Als we die werkwijze kunnen opschalen, hebben we een oplossing die landelijk en maatschappelijk impact maakt.”
Dezelfde vraagstukken
Ook gebiedsontwikkeling is een domein waarin veel gemeenten dezelfde vraagstukken hebben. Denk aan parametrisch ontwerpen, simulaties van verkeerseffecten of inzicht in schaduwval, hittestress en wateroverlast. “Digital twins zijn daarbij een prachtig instrument”, stelt Van Wegen. “Je ziet driedimensionaal de gevolgen van beleidskeuzes en kunt zo uiteenlopende scenario’s verkennen. Dat is enorm waardevol. Voor projectleiders, ontwerpers, wethouders én inwoners die willen weten wat er in hun stad gebeurt.”
Toch gaat de overgang naar dit nieuwe, digitale werken niet vanzelf. De oorzaak van vertraging zit vaak niet in de technologie, maar in de benodigde veranderingen in de organisatie. Denk aan nieuwe contractvormen, andere werkwijzen, samenwerking over gemeenten heen en ICT‑afdelingen die moeten wennen aan het afnemen van diensten via de PDX. Een rode draad in het plan is niet voor niets de menselijke factor. Tools landen niet als medewerkers ze niet adopteren, ze niet vertrouwen of niet ervaren hoe ze hun werk makkelijker maken. Van Wegen ziet dat dagelijks. “Digitalisering is bij uitstek een onderwerp waarin je mensen moet meenemen. Niet iets bouwen en dan overdragen, maar stapsgewijs werken vanuit een onderzoeksvraag. Wat is het maatschappelijk belang? Wat wil je precies? Wat heb je nodig? Als je vervolgens samen met beleidsmedewerkers tot een oplossing komt, wordt die ook echt gebruikt.”
En niet iedere innovatie is meteen een succes, aldus Van Wegen: “Soms moet je ergens mee stoppen. Maar het gaat er om samen te leren, te versnellen en werkende oplossingen op te schalen. Oftewel: enkelvoudig ontwikkelen en meervoudig gebruiken.”
Actief delen met andere gemeenten
De genoemde gemeenten willen hun leerervaringen actief delen met andere gemeenten. Van Wegen: “De coalities staan nadrukkelijk open voor deelname van buiten de oorspronkelijke zeven. Het aantal gemeenten dat bij DMI is aangesloten, blijft alsmaar groeien. Een fantastische ontwikkeling waar we blij mee zijn. We werken aan een open ecosysteem waarin iedereen die wil versnellen, kan aansluiten.”
Doorpakken
De komende periode werkt Van Wegen verder aan het ophalen van vragen, het verder vormen van coalities en het samenwerken met marktpartijen aan schaalbare bouwstenen voor digitalisering via de PDX. “We slagen er steeds beter in om die vraag scherp te krijgen”, zegt Van Wegen tot slot. “Nu is het tijd om door te pakken en oplossingen te laten landen in de praktijk.”
Meer weten? Neem dan contact op met Chris van Wegen bij de gemeente Apeldoorn via c.vanwegen@apeldoorn.nl